De grondlegger van ‘Luytink Tweewielers’ is Cornelis (‘Cees’) Luijtink. Hij wordt in 1884 in de stad geboren als vierde van in totaal zeven kinderen van Hindrik Gijsbert(s) Luijtink en Doetje Ebens. Zijn vader is eerst stalkecht, arbeider en daarna tapper/kastelein. In 1906, als ‘Cees’ smid en 21 jaar is, trouwt hij met Elsje Nolle. Zij is in 1886 geboren en jongste van zeven kinderen van Anthon Nolle en Jantien Hofman. Door de laatste, die doopsgezind is, ontstaat de latere relatie met de doopsgezinden. Het huwelijk van Cornelis en Elsje is een zogeheten ‘moetje’, want minder dan drie maanden na hun trouwen wordt in de Haddingestraat zoon Hendrik geboren. Het volgende jaar wordt Cornelis ‘rijwielmaker’ bij Fongers en wordt aan de Coehoornsingel op 15 december zoon Anton geboren. In 1909 en ’11 volgen nog de dochters Doetje Jantiena en Jantina Jacoba, waarvan de jongste slechts zeven maanden oud wordt. In 1914 begint Cornelis Luijtink voor zichzelf een ‘rijwielfabriek’ op het adres Violenstraat 16. Zeven jaar later wordt hij ook eigenaar van dat pand en blijft dat tot 1945.

Adresboek 1914 met alle Luijtinks van dat moment

1e advertentie Luijtink: Nieuwsblad van het Noorden 4-3-1916

De jongste van de zeven kinderen van Hindrik Gijsbert(s) Luijtink en Doetje Ebens, de in 1893 geboren Hindrik, komt net als zijn oudere broer Cornelis in de Violenstraat wonen. In 1918, als Hindrik trouwt met Roelofje Sporrel (geb. 1894), is hij kellner. Twee jaar later, als Hindrik bij de Posterijen is gaan werken, koopt hij Violenstraat 24. Ze krijgen er in 1922 een dochtertje Jacoba, maar dat wordt niet ouder dan 3 jaar. Later worden nog de dochters Koosje en Liesje geboren.

In het voorjaar van 1924 verkopen ze nummer 24 en verhuizen naar de overkant, waar ze nummer 37 huren van het Doopsgezind Gasthuis. Hindriks vrouw zet daar de bestaande sigarenwinkel voort en zelf begint hij met een collega ‘Bestel- en Incassobureau Luijtink & Hoekstra’ en koopt een auto (kenteken A 9092). Na het overlijden van z’n vrouw in 1931 hertrouwt hij het volgende jaar met Aaltje Schuringa, die uit een eerder huwelijk al zoon Rudolf (Muller) heeft. Samen krijgen ze nog zoontje Hendrik, die slechts 2 maanden oud wordt. Zelf overlijdt Hindrik in 1936, waarna zijn weduwe er blijft wonen en het incassobedrijf voortzet tot ze in 1950 naar Amsterdam verhuist.

Nieuwsblad van het Noorden, 8-6-1936

Drie jaar nadat zijn broer op nummer 37 is komen wonen, huurt ook Cornelis van het Doopsgezind Gasthuis: het pandje aan de andere kant van de gang nummer 39. Beide zonen, Hendrik en Anton, gaan ook in de rijwielhandel. Hendrik begint voor zichzelf een gecombineerde rijwiel- en sigarenhandel aan de Munnekeholm. Als Anton in 1935 trouwt met Geertje Woudstra betrekt hij Violenstraat 16, het oude huis van z’n vader, en begint er een leesbibliotheek. Het volgende jaar wordt daar hun zoon Cor, genoemd naar z’n opa, geboren. In oktober 1945, als z’n vader nummer 16 verkoopt, trekt Anton met vrouw en zoontjes bij zijn ouders in op nummer 39.

In augustus 1955 worden de oude huisjes afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Cornelis verhuist dan met z’n echtgenote naar Kleine Kruisstraat 2a en voor Anton en z’n gezin is er een noodwoning op het terrein achter het poortgebouw van het Doopsgezind Gasthuis, Nieuwe Boteringestraat 47. In oktober 1956 is de nieuwbouw klaar en betrekken Cornelis en Elsje het nieuwe nummer 37 en Anton met z’n gezin de winkel ernaast, nummer 39. In september 1960 verhuist Anton naar Stadhouderslaan 5 om plaats te maken voor de volgende generatie, Cor met echtgenote.

Nieuwsblad van het Noorden, 4-10-1956

In 1963 overlijdt Cornelis op 79-jarige leeftijd, zes jaar later gevolgd door Elsje. Inmiddels wordt de rijwielhandel geleid door Anton en zoon Cor, die boekhouder van beroep is. Vlak voor het overlijden van Cornelis komt Geert Bruinius als ‘solex-monteur’ in de zaak werken.

Bruinius wordt in 1941 in de Balistraat geboren en groeit op aan de Padangstraat. Zijn vader werkt in een smederij aan het Ged. Kattendiep en Geert kan na twee jaar mulo, op 15-jarige leeftijd, als bandenplakker aan de slag bij ‘gediplomeerd rijwielhersteller’ Joh. Hermse in het Hoornstraatje. Het volgende jaar heeft hij zijn eerste brommer, een Rap. Na vierenhalf jaar is Geert zelf ‘gediplomeerd’ en gaat aan het werk bij ‘Veenendaal’s solex station’ op het Zuiderdiep. Als deze zaak er anderhalf jaar later mee ophoudt kijkt Geert of hij bij ’t Solex-huis De Jong aan de slag kan, maar dit ketst af omdat hij zich niet kan vinden in de arbeidsvoorwaarden. Met de Luijtinks komt hij er wel uit. De stalling, die aanvankelijk achter de werkplaats is, wordt voor hem ingericht voor reparaties. Nu Luijtink een ervaren solex-monteur in dienst, neemt de verkoop van brommers sterk toe.

Omstreeks 1967 wordt Geert Bruinius mede-eigenaar. Enkele jaren later staat hij als enige aan het roer. Eerst zegt, in juli 1969, Cor Luijtink de zaak vaarwel en per 1 januari 1970 stopt ook zijn vader ermee. Cor gaat weer bij het G.E.B. op kantoor werken en een aantal maanden later verhuist hij ook, waarna Geert nummer 39 kan betrekken. Omdat hij nog bij zijn ouders slaapt, gebruikt hij de slaapkamer eerst voor opslag van bromfietsen. Dit verandert als Geert in 1971 trouwt. Hij heeft meerdere monteurs. De ‘vaste kern’ bestaat uit Willem Jan Pruis, Edwin Jager en Geert Graanstra.

De winkel en werkplaats in de jaren zeventig, nog zonder schutting als afscheiding van het hofje

Onder leiding van Geert Bruinius groeit de klandizie. Bij het 70-jarig bestaan van ‘Luytink’ wordt hij geïnterviewd door de buurtkrant Kop d’r Veur (zie 11e jaargang, nr. 3, mei 1984). In het artikel ook aandacht voor de door hem gesponsorde ‘amateurwielrijders’ (zie foto hieronder). Het volgende jaar krijgt Bruinius te maken met de plannen van het gasthuisbestuur om het Doopsgezind Gasthuis uit te breiden en te renoveren. Omdat het bestuur het hofje aan de Violenstraat met het poortgebouw aan de Nieuwe Boteringestraat wil verbinden met nieuwbouw, wil het ruimte maken ten koste van de werkplaats. Gasthuisbestuur en Bruinius nemen beide een advocaat in de arm. Het uiteindelijke resultaat is dat de moestuin (zie foto hieronder) verdwijnt, maar dat de werkplaats blijft. Wel komt er een afscheiding met het hofje in de vorm van een schutting.

Denkend aan een opvolger komt eerst zoon Edwin bij Bruinius in de zaak, maar dat duurt slechts een jaar. Daarna probeert Geert het met Ramon Dijkema, die Iwan Kort aanneemt als monteur. Terwijl Dijkema niet de beoogde opvolger blijkt, ligt dat met Kort anders. Iwan komt na enige tijd met het voorstel om de inventaris van Bruinius over te nemen. Per 1 maart 2008 gebeurt dit en trekt Geert zich terug. Vier jaar later kan Iwan Kort de winkel, nummer 37 en de werkplaats kopen van het Doopsgezind Gasthuis, waarna hij de zaak vergroot door 37 en 39 samen te voegen.